Causaliteit en deskundigenonderzoek bij ongeval met whiplashtrauma
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 433 (Zwolsche Algemeene/De Greef)
Inleiding
De Hoge Raad heeft op bovengenoemde datum een interessant arrest gewezen met betrekking tot de bewijslast van het causaal verband tussen een verkeersongeval en de gestelde, daarop volgende arbeidsongeschiktheid tengevolge van whiplashletsel.
Daarnaast wordt nog eens duidelijk gemaakt hoe groot de beleidsvrijheid van de rechter is als het gaat om een deskundigenonderzoek.
De feiten
Bij een aanrijding in 1990 werd De Greef (hierna te noemen DG), die voor een rood verkeerslicht stond te wachten, met een snelheid van ongeveer 50 km/uur van achteren aangereden.
Door de veroorzaker van deze kop-staartbotsing was een WAM-verzekering gesloten bij Zwolsche Algemeene (hierna te noemen ZA).
ZA heeft de aansprakelijkheid erkend, maar betwist met name de door DG gestelde (gedeeltelijke) arbeids-ongeschiktheid als buschauffeur, althans dat die arbeidsongeschiktheid zijn oorzaak vindt in het ongeval.
Op verzoek van ZA heeft een orthopedische én een neuropsychologische expertise plaatsgevonden.
Op grond van de uitkomsten oordeelde ZA dat DG niet blijvend arbeidsongeschikt kon worden beschouwd.
DG heeft vervolgens een tweetal expertises doen plaatsvinden door neurologen.
ZA handhaaft na kennis te hebben genomen van de conclusies van de betreffende rapportages haar standpunt.
DG vordert voor de rechtbank een verklaring voor recht dat hij als gevolg van het ongeval blijvend (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geworden en veroordeling van ZA tot vergoeding van de schade, bestaande uit verlies van arbeidsvermogen, immateriële schade en buitengerechtelijke kosten.
Rechtbank en hof
De rechtbank heeft de verklaring voor recht gehonoreerd, de vorderingen gedeeltelijk toegewezen en voor het overige de zaak voor nadere bewijsvoering aangehouden.
Van het tussenvonnis heeft ZA appèl ingesteld.
Het hof bekrachtigt uiteindelijk het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van DG - met een correctie ten aanzien van de wettelijke rente - eveneens toe.
Daar gaat echter aan vooraf dat het hof een drietal deskundigen benoemt enerzijds om te bezien of er voldoende gegevens voor handen zijn om een eindoordeel te kunnen geven omtrent het voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid, anderzijds ter beantwoording van de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen die arbeidsongeschiktheid en het ongeval.
Omtrent de fysieke beperkingen wordt gerapporteerd door een orthopeed en een neuroloog.
Aan de hand van hun bevindingen zou een arbeidsdeskundige moeten rapporteren omtrent de gevolgen van de aangetroffen beperkingen voor de arbeidsongeschiktheid van DG.
Nadat het orthopedisch en het neurologisch rapport zijn uitgebracht, geeft het hof partijen de gelegenheid daarop bij memorie te reageren.
Vervolgens is het hof - vóór het benoemen van een arbeidsdeskundige - ingegaan op de medische aspecten van de zaak.
Zonder dat er een arbeidsdeskundige aan te pas is gekomen wijst het hof eindarrest met de volgende overweging:
“Ofschoon iemand die stelt schade te lijden in het algemeen die schade aannemelijk dient te maken, brengt de omstandigheid dat het hier gaat om een syndroom [post whiplash] waarvan algemeen bekend is dat dit moeilijk of slechts in beperkte mate tot concreet waarneembare medische stoornissen valt te herleiden, met zich mede dat de eisen die aan het bewijs kunnen worden gesteld, niet al te hoog dienen te zijn. Het komt dan - tot op zekere hoogte - voor risico van de veroorzaker van het ongeval dat het oorzakelijke verband tussen ongeval en klachten zich niet rechtstreeks laat aantonen en dat de klachten evenmin te herleiden zijn tot medisch vaststelbare afwijkingen.”
Causaliteit en deskundigenonderzoek bij ongeval met whiplashtrauma
Het hof verwijst naar een eerder tussenarrest en overweegt verder:
” Daarin wordt gerefereerd aan stoornissen die geobjectiveerd kunnen worden”.
De beide door het hof benoemde deskundigen hebben geoordeeld dat van objectiveerbare stoornissen geen sprake was, doch hebben - mede gelet op de redactie van de vragen - daarbij het begrip “stoornis” in beperktere zin opgevat dan het hof bedoelde.
Het hof had niet enkel het oog op “stoornissen” in de zin van medisch waarneembare beschadigingen, afwijkingen of gebreken (van orthopedische of van neurologische aard) doch ook op het bestaan van “klachten” die weliswaar naar hun aard subjectief van aard zijn doch waarvan niettemin objectief vastgesteld kan worden dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn.
Uit de antwoorden van de deskundigen komt echter ook het antwoord op die vragen voldoende uit de verf.
“De rapporten in hun onderlinge samenhang beziend, doch tevens in aanmerking genomen de eigen bevindingen van de betrokkene DG, waarvan - het wordt herhaald - niet is gebleken dat hij zou simuleren of overdrijven, kan de conclusie redelijkerwijze geen andere zijn dan dat DG als gevolg van het ongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden in die zin dat hij niet meer dan halve dagen als buschauffeur kan werken”.
De vraag of DG de resterende tijd ander werk kan verrichten beantwoordt het hof ontkennend, zodat ook een nader arbeidskundig onderzoek, welke het hof in zijn tussenarresten in het vooruitzicht had gesteld, bij nader inzien niet nodig is.
Cassatiemiddelen
In cassatie formuleert ZA een aantal klachten tegen het eindarrest van het hof. De klachten richten zich tegen:
a) de overwegingen van het hof op grond waarvan het oorzakelijk verband heeft aangenomen tussen het ongeval en de gezondheidsklachten;
b) het achterwege laten door het hof partijen in de gelegenheid te stellen op grond van art. 223 lid 5 Rv opmerkingen te maken en verzoeken te doen naar aanleiding van de deskundigenberichten; en
c) de beslissing van het hof dat bij nader inzien een arbeidsdeskundig onderzoek niet aan de orde behoefde te komen.
Hoge Raad
Ad a)
De grieven, waarin geklaagd wordt over het aannemen van oorzakelijk verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten, falen.
Het hof heeft immers, in overeenstemming met het in cassatie overigens niet bestreden uitgangspunt, dat in een geval als het onderhavige (een post whiplashsyndroom) niet al te hoge eisen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de gestelde gezondheidsklachten kunnen worden gesteld, tot uitdrukking gebracht dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten in die zin voor risico van de veroorzaker van het ongeval komt, dat dit niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is.
Ad b)
Ten aanzien van de klacht met betrekking tot art. 223 lid 5 Rv overweegt de Hoge Raad dat die klacht - het hof zou onaanvaardbaar afbreuk hebben gedaan aan het recht van hoor en wederhoor - faalt.
Het hof was niet gehouden om, toen het tot het oordeel kwam dat de beide medische deskundigen het begrip “stoornis” in de aan hen ter nadere instructie van de zaak door het hof voorgelegde vragen in beperktere zin hadden opgevat dan het hof bedoelde, dit aan partijen kenbaar te maken en hen in de gelegenheid te stellen zich naar aanleiding daarvan uit te laten.
Daarnaast is het aan het beleid van de rechter, die over de feiten oordeelt, overgelaten om te beslissen welke deskundige voorlichting hij behoeft.
Ad c)
Met betrekking tot de vraag of het hof een nader arbeidsdeskundig onderzoek bij nader inzien achterwege kon laten oordeelt de Hoge Raad dat de beslissing van het hof dat een onderzoek door een drietal deskundigen -
Causaliteit en deskundigenonderzoek bij ongeval met whiplashtrauma
onder wie een arbeidsdeskundige - zou plaatsvinden geen beslissing is betreffend een partijen verdeeld houdend juridisch of feitelijk geschilpunt.
Het stond het hof derhalve in beginsel vrij om in zijn eindarrest op grond van het verdere verloop van de procedure alsnog te oordelen dat aan een onderzoek door een arbeidsdeskundige geen behoefte bestond.
Deze herziening van een eerder gegeven beslissing inzake de procesgang kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat het hof partijen de gelegenheid had moeten bieden tot aanpassing van hun stellingen.
Dat zou anders zijn indien partijen als gevolg van die herziening onvoldoende de gelegenheid zou zijn geboden datgene naar voren te brengen wat zij nodig achtten.
Commentaar
Voor de letselschadepraktijk is het arrest van de Hoge Raad op meerdere onderdelen interessant.
Een belangrijk aspect vormt de redenering van het hof met betrekking tot het causaal verband tussen het ongeval en de sindsdien door het slachtoffer ondervonden klachten en arbeidsongeschiktheid en het sanctioneren van die redenering door de Hoge Raad.
Daarnaast speelt de vraag of het hof de uitgebrachte deskundigenberichten heeft mogen interpreteren zoals het heeft gedaan en zonder partijen daarover eerst te informeren.
Tenslotte komt aan de orde of het hof van onderzoek door een arbeidsdeskundige mocht afzien.
1. Causaal verband; “omkeringsregel”
De Hoge Raad laat het arrest van het hof in zijn geheel in stand en oordeelt dat er geen sprake is van omkering van de bewijslast.
Het hof is met haar beslissing als hierboven cursief weergegeven niet terug gekomen op zijn eerdere uitgangspunt dat de eisende partij in beginsel de omvang van de schade en het causaal verband tussen het ongeval en de schade aannemelijk moet maken.
Dit uitgangspunt, dat de Hoge Raad voor juist houdt, is in cassatie niet bestreden.
Voorts waren partijen het eens met het oordeel van het hof dat in een geval als dit de eisen die aan dat bewijs worden gesteld, niet al te hoog mogen zijn.
Tegen deze overweging richt het cassatiemiddel zich dan ook niet.
Wel wordt bezwaar gemaakt tegen de overweging dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten in die zin voor risico van de veroorzaker van het ongeval komt, dat dit niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is.
Het gaat hier om een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van het slachtoffer tegen een derde of diens aansprakelijkheidsverzekeraar.
De bewijslast van het causaal verband tussen het ongeval en de sedertdien aanwezigegezondheids-klachten c.q. arbeidsongeschiktheid rust dan ingevolge de hoofdregel van art. 177 Rv. op de benadeelde.
Voor een goed begrip van de onderhavige materie is het zinvol hieronder eerst een uitzondering op deze regel te bespreken, namelijk de zogenaamde omkeringsregel.
Die regel pleegt in de jurisprudentie als volgt te worden geformuleerd:
“Indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico voor het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causale verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven.
Het is aan degene die op grond van deze gedraging wordt aangesproken, om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan”.
(Zie o.a. HR 1 november 1974 NJ 1975, 454; HR 16 november 1990 NJ 1991, 55; HR 1 oktober 1993 NJ 1995, 82; HR 24 december 1999 NJ 2000, 428; HR 16 juni 2000 NJ 2000, 584; HR 2 maart 2001 RvdW 2001, 62).
In het arrest HR 19 januari 2001, RvdW 2001, 34 heeft de Hoge Raad de omkeringsregel verduidelijkt. De omkeringsregel is volgens de HR pas van toepassing als niet alleen vaststaat dat door een gedraging die aan de aangesproken persoon wordt verweten (wanprestatie, onrechtmatige daad) een risico op het ontstaan van schade in het leven is geroepen, maar ook dat dit risico zich vervolgens heeft verwezenlijkt.
Causaliteit en deskundigenonderzoek bij ongeval met whiplashtrauma
De omstandigheden, waaraan voor toepasselijkheid van de omkeringsregel moet zijn voldaan, zijn:
- het moet gaan om een gedraging die wanprestatie c.q. onrechtmatige daad oplevert;
- het moet aannemelijk zijn dat die gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven heeft geroepen;
en
- het moet aannemelijk zijn dat dit in het leven geroepen risico zich vervolgens ook heeft verwezenlijkt.
Deze omstandigheden behoren tot de stelplicht en bewijslast van de eisende partij.
Het is echter niet steeds duidelijk wat met “dit risico” wordt bedoeld.
In het geval dat zich hier heeft voorgedaan (ZA/DG), kan worden betoogd dat degene die met een snelheid van 50 km/uur op een rood verkeerslicht afrijdt, de kans op het ontstaan van schade door een aanrijding in het leven roept, zodat de omkeringsregel toepasselijk is als de aanrijding vervolgens daadwerkelijk plaatsvindt.
Dit betekent dat het hof de bewijslast in deze zaak niet juist heeft verdeeld omdat de aansprakelijkheids - verzekeraar had behoren aan te tonen dat de schade ook zou zijn geleden.
- in de zin van: het slachtoffer zijn gezondheidsklachten ook zou hebben gekregen - zonder die aanrijding.
Nu het hof het slachtoffer in de bewijslevering geslaagd achtte, had het slachtoffer geen belang bij het instellen van (incidenteel) cassatieberoep.
Het hier besproken arrest ZA/DG heeft met het oog op de reikwijdte van de omkeringsregel naar ik meen slechts een betrekkelijke waarde.
De Hoge Raad past deze regel toe om slachtoffers tegemoet te komen als zij in bewijsnood (dreigen te raken) ter zake van het causaal verband.
De veroorzaker mag in dié gevallen aantonen dat de schade ook zonder zijn gedraging zou zijn ontstaan.
Het hof is in deze zaak niet van een gegeven causaal verband uitgegaan, maar heeft tot uitgangspunt genomen dat aan het bewijs van de schade en het causaal verband in een zaak als deze (post whiplash syndroom) geen al te hoge eisen mogen worden gesteld.
Langs die weg is het hof tot een bewezenverklaring daarvan gekomen.
Over de juistheid van dit standpunt van het hof heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten, omdat (met name) de aansprakelijkheidsverzekeraar in cassatie daarvan geen punt had gemaakt.
2. Eisen aan bewijslevering
De tweede klacht die zich richt tegen het eerste onderdeel betreft de eisen die in een geval als dit
(post whiplashsyndroom) in het algemeen gesteld mogen aan de bewijslevering.
Het hof had overwogen - een overweging waarvan de juistheid in cassatie door partijen niet aan de orde was gesteld - dat geen al te hoge eisen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten kunnen worden gesteld.
Het hof heeft daarmee tot uitdrukking gebracht dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten in die zin voor risico van de veroorzaker van het ongeval komt, dat dit niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is.
Het hof heeft zich daarbij niet uitsluitend gebaseerd op het bestaan van klachten, die weliswaar naar hun aard subjectief zijn doch waarvan niettemin objectief kan worden vastgesteld dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn.
In de in het geding zijnde medisch deskundigenrapporten, wordt melding gemaakt van reële en bij een whiplash passende gezondheidsklachten, die het slachtoffer voordien niet had.
Daarnaast blijkt dit ook uit de eigen verklaring van het slachtoffer.
Causaliteit en deskundigenonderzoek bij ongeval met whiplashtrauma
Weliswaar wordt geen medisch aantoonbare (objectiveerbare) directe oorzaak voor de klachten aangetroffen, maar het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare, verklaring komt (redelijkerwijs) voor risico van de veroorzaker van het ongeval.
Met andere woorden, het feit dat het oorzakelijk verband tussen ongeval en (per definitie) subjectieve klachten zich niet rechtstreeks laat aantonen omdat die klachten niet te herleiden zijn tot medisch vaststelbare afwijkingen, komt - zij het tot op zekere hoogte - voor risico van de schadeveroorzaker.
Wanneer het gaat om stoornissen blijft het niet beperkt tot objectiveerbare stoornissen in de zin van medisch waarneembare beschadigingen, afwijkingen of gebreken, maar ook telt het bestaan van subjectieve klachten mee.
Daarbij is mede van belang dat uit de rapporten niet blijkt dat het slachtoffer zou simuleren of overdrijven.
Indien het bewijs in natuurwetenschappelijke zin niet kan worden geleverd - en in whiplashzaken is dat meestal het geval -, kan toch worden aangenomen dat de stoornissen het gevolg zijn van het ongeval, indien:
- het ongeval vaststaat;
- de stoornissen vaststaan;
- geen aanwijzingen voorhanden zijn dat die stoornissen ook voor het ongeval reeds bestonden; en
- het ongeval op zichzelf dergelijke stoornissen kan veroorzaken.
Een vaak gehoorde redenering is, dat het causaal verband tussen ongeval en klachten reeds is gegeven door het aanwezig zijn van klachten ná het ongeval.
Deze opvatting (een post hoc, ergo propter hoc-redenering) is onjuist. Uit het enkele feit dat een slachtoffer ná het ongeval gezondheidsklachten heeft, volgt niet dat die klachten dóór het ongeval zijn veroorzaakt.
Correlatie impliceert nog geen causaliteit.
In dit geval heeft het hof echter op grond van de hiervoor genoemde argumenten het causaal verband aangenomen en mocht dat volgens de Hoge Raad ook doen.
3. Recht van hoor en wederhoor
Waar het hof naar het oordeel van ZA de aan de deskundigen voorgelegde vragen anders heeft uitgelegd dan de deskundigen deze hebben opgevat, zou het hof “de grondslag van het deskundigenbericht hebben verlaten”.
Voorts zou het hof op onaanvaardbare wijze afbreuk hebben gedaan aan het in art. 223 lid 5 Rv neergelegde recht van partijen om over dat bericht opmerkingen te maken en naar aanleiding daarvan verzoeken te doen.
Het hof kwam tot het oordeel dat de beide door haar benoemde medisch deskundigen het begrip ²stoornis² in de aan hen ter nadere instructie van de zaak door het hof voorgelegde vragen in beperktere zin hadden opgevat dan het hof bedoelde.
De Hoge Raad stelt echter dat het hof niet gehouden was om dit aan partijen kenbaar te maken en hen in de gelegenheid te stellen zich naar aanleiding daarvan uit te laten.
Art. 221 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een van partijen of ambtshalve een ”verhoor van deskundigen” (het deskundigenonderzoek) kan bevelen.
Het woord “kan” duidt op een discretionaire bevoegdheid.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de rechter dan ook vrij te beslissen ten aanzien van de vraag of hij een deskundige zal benoemen of daarvan zal afzien en waarover hij zich door een deskundige zal laten voorlichten.
(Zie HR 14 mei 1993 NJ 1994, 448; HR 8 april 1994 NJ 1994, 550; HR 31 maart 1995 NJ 1995, 597; HR 4 december 1998 NJ 1999, 364; HR 16 april 1999 NJ 1999, 666; HR 19 november 1999 NJ 2000, 234; HR 22 september 2000 RvdW 2000, 184C).
De discretionaire bevoegdheid, die de rechter heeft om in het geding een deskundigenonderzoek al of niet te bevelen, is dus te verdedigen vanuit de opvatting dat het onderzoek hier vooral de rechterlijke oordeelsvorming dient.
Het oordeel van deskundigen dient tot voorlichting van de rechter. Het is derhalve meer een instructiemiddel dan een bewijsmiddel.
De rechter kan zelf bepalen of hij daartoe het deskundigenonderzoek (nog) nodig heeft.
Bovendien is het aan de feitenrechter overgelaten om te beslissen welke deskundige voorlichting hij behoeft.
Causaliteit en deskundigenonderzoek bij ongeval met whiplashtrauma
De rechter heeft daarnaast ook de vrijheid een eerder door hem gewezen tussenvonnis of tussenarrest uit te leggen.
Aan een op zijn verzoek uitgebracht deskundigenrapport is de rechter niet gebonden; hij is vrij in de waardering daarvan.
Ten aanzien van het deskundigenbericht is dit niet expliciet in de wet opgenomen, maar uit de algemene regel van art. 179 lid 2 Rv volgt dat de rechter ook met betrekking tot het oordeel van deskundigen vrij is in zijn waardering.
In HR ZA/DG heeft het hof partijen alle gelegenheid geboden over de rapporten van de deskundigen die opmerkingen naar voren te brengen die zij geraden achtten.
4. Arbeidsdeskundig onderzoek
Het hof heeft in twee tussenarresten een onderzoek door een arbeidsdeskundige in het vooruitzicht gesteld. Bij het eindarrest blijkt dat het hof daaraan geen behoefte meer heeft. ZA acht dit in strijd met een goede procesorde.
De rechter had, aldus ZA, partijen dienen te informeren dat hij op deze beslissing zou terugkomen.
Dit standpunt is eveneens onjuist. Het deskundigenbericht heeft in overwegende mate de kleur van instructiemiddel.
Het hanteren daarvan is in beginsel aan het beleid van de feitenrechter overgelaten.
Wanneer de rechter op grond van het verdere verloop van de procedure het voortschrijdend inzicht bereikt dat hij aan dit instructiemiddel geen behoefte heeft, staat het hem dan ook vrij daarvan af te zien.
Dit is alleen anders als zijn eerdere oordeel in de vorm van een eindbeslissing is gegoten.
(Zie HR 19 juni 1998 NJ 1999, 288).
In deze zaak komt een en ander tot uitdrukking in de overweging van het hof, dat het een deskundigen-bericht (door een arbeidsdeskundige) noodzakelijk acht, geen beslissing is betreffende een partijen verdeeld houdend juridisch of feitelijk geschilpunt.
Het stond het hof derhalve vrij om in zijn derde tussenarrest alsnog af te zien van het inwinnen van een bericht van een arbeidsdeskundige.
Overigens kan op de bindende kracht van een eindbeslissing een uitzondering worden gemaakt ingeval bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden, het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan een dergelijke eindbeslissing zou zijn gebonden.
(Zie HR 5 januari 1996 NJ 1996, 597; HR 1 mei 1998 NJ 1999, 563).
De rechter is niet gehouden processuele verrichtingen te doen plaatsvinden die niet tot beslissing van de zaak kunnen leiden.
Dat geldt ook voor bewijslevering.
Het geldt ook voor een deskundigenbericht dat bij eindbeslissing was gelast.
Het hof had gemotiveerd aangegeven waarom het reeds gelaste onderzoek bij nader inzien niet ter zake dienend was.
Immers, DG was op grond van de bevindingen van de medisch deskundigen niet tot meer in staat dan halve dagen als chauffeur te werken. In de omstandigheden van dit geval kon van hem evenmin worden gevergd voor een langere periode per dag, ander - minder belastend - werk te verrichten.
Uitgaande van die situatie, valt inderdaad niet in te zien wat een arbeidsdeskundige nog voor nuttige inbreng zou kunnen hebben.
Onder omstandigheden van het geval worden hier begrepen zaken als: leeftijd van betrokkene bij stabilisering van de medische toestand (42 jaar) en beperkte schoolopleiding (hij zou voor een belangrijk deel aangewezen zijn op ongeschoold werk en juist daarbij kunnen lichamelijke klachten een rol spelen).
5. Verrassingsbeslissing
De rechter, die over de zin van een reeds gelast deskundigenonderzoek van mening verandert, behoeft in elk geval partijen niet eerst daarover te informeren, opdat deze de gelegenheid hebben tot aanpassing van hun stellingen.
Causaliteit en deskundigenonderzoek bij ongeval met whiplashtrauma
Dit is alleen anders indien partijen als gevolg van die herziening onvoldoende de gelegenheid hebben datgene naar voren te brengen wat hen geraden voorkomt. In deze zaak blijkt daarvan geen sprake.
De aansprakelijkheidsverzekeraar had nog betoogd dat zij nog stellingen met betrekking tot de arbeids(on)geschiktheid van DG (hij was inmiddels een eigen transportbedrijf begonnen) tot na het door haar verwachte arbeidsdeskundigenbericht had gereserveerd.
Daarvan zegt de Hoge Raad echter, dat dát standpunt niet het oordeel kan dragen dat zij als gevolg van het alsnog achterwege laten van het desbetreffende deskundigenonderzoek onvoldoende in de gelegenheid is gesteld die stellingen aan te voeren.
Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep over de arbeids(on)geschiktheid door partijen uitvoerig is gedebatteerd.
Of een voor partijen verrassende beslissing een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is, hangt in belangrijke mate ervan af in hoeverre zij op die beslissing konden anticiperen.
Daarvan zou sprake kunnen zijn indien partijen, gezien de verwachtingen die zij redelijkerwijs mochten koesteren, niet daadwerkelijk de kans hadden om alle voor de beslissing relevante feiten en stellingen naar voren te brengen.
Dit geldt voor zowel materieel als processueel verrassende beslissingen. (Zie HR 6 maart 1992, NJ 1993, 79).
Een partij, die om proces tactische redenen (houd je kruid droog”-tactiek) bepaalde stellingen tot het laatst achterhoudt, loopt altijd het risico dat die stellingen niet meer in de beslissing zullen worden betrokken.
Het beginsel van hoor en wederhoor brengt echter niet mee dat partijen steeds het recht hebben om in een laat stadium bekend geworden feiten nog in de procedure te mogen inbrengen.
6. Slot
In deze zaak zijn over het slachtoffer in totaal zeven elkaar op onderdelen tegensprekende deskundigen rapporten uitgebracht. Dit is voor het slachtoffer zonder meer zeer belastend geweest.
Bovendien hebben partijen moeten ervaren dat zij voor een groot deel overgeleverd zijn aan de beleidsvrijheid van de rechter als het gaat om deskundigenonderzoek.
Het maakt daarbij nauwelijks verschil of het deskundigenonderzoek strekt ter beslechting van tussen partijen bestaande geschilpunten of wanneer het gaat om voorlichting van de rechter.
Wanneer partijen tot op zekere hoogte willen voorkomen de grip op de zaak te verliezen of wanneer zij een voor het slachtoffer minder belastende weg willen bewandelen, kunnen zij er voor kiezen in een vroeg stadium aan de rechter een voorlopig deskundigenbericht te verzoeken.
Meest efficiënt daarbij is dat zij het dan op voorhand eens zijn over de discipline van de deskundige, de persoon/personen die het onderzoek moet(en) gaan verrichten, de bevestiging van zijn/hun bereidheid en de aan de deskundigen voor te leggen vragen.
Dit voorkomt veel discussie (achteraf) en het maakt het de rechter gemakkelijk bij het inwilligen van het verzoek.