Plas/Valburg geldt nog altijd (Abstract)
In het redactionele ‘Vooraf’ van het NJB van 30 september 2005 geeft C.E. Drion als zijn mening te kennen dat de Hoge Raad recentelijk inzake CBB contra JPO - korte metten zou hebben gemaakt met het arrest Plas/Valburg dat tot op heden als standaard geldt voor de precontractuele fase.
Daarbij komt het Drion voor dat de Hoge Raad een einde zou hebben gemaakt aan de ‘beroemde drie fasen’ van Plas/Valburg, en heeft de Hoge Raad zijns inziens de mogelijkheden teruggebracht tot het volgende: ‘of de afbrekende partij mag profiteren van het beginsel dat afbreken vrijstaat, of hij is aansprakelijk voor alle schade (inclusief gederfde winst)’.
Zo geformuleerd zou het er inderdaad op lijken dat ‘fase-2′ van Plas/Valburg van het toneel is verdwenen.
Het arrest CBB/JPO is kortgeleden door Hartlief en Tjittes in de Kroniek van het Vermogensrecht als ’standaardarrest’ aangemerkt, overigens zonder dat zij daaraan de conclusie verbinden dat de vergoeding van kosten in fase-2 niet meer mogelijk is.
Dat laatste doet Drion de facto wel, nu er in zijn visie nog maar twee precontractuele stadia overblijven: een eerste fase van vrijheid tot het afbreken van onderhandelingen zonder vergoedingplichten, gevolgd door een fase waarin het afbreken onaanvaardbaar is en grondslag biedt tot volledige schadevergoeding.
En als de rechter dat laatste iets te veel van het goede vindt, geeft het recht hem wel instrumenten om er wat vanaf te doen, als ik Drion aldus mag parafraseren. Nu is al eerder bepleit dat we in de precontractuele sfeer geen drie fasen, doch slechts twee fasen zouden moeten onderscheiden, waarin vrijheid tot afbreken bestaat die al dan niet gepaard gaat met de plicht tot vergoeding van kosten, zodat er in zoverre geen nieuws onder de zon is.
Thans evenwel zou dat fundamenteel anders zijn, waar Drion immers spreekt in termen van een ‘trendbreuk’.

Bron: volledig artikel
http://www.njb.nl/NJB/mem/archief/art110545.html